Werkgever heeft bij voorwaardelijke indexatie een inspanningsverplichting

Toeslagverlening afhankelijk van beslissing van werkgever en gefinancierd uit depot. Werkgever geeft aan te stoppen met bijstortingen in depot. Door lage rente ook geen overrente als financieringsbron. Werkgever heeft inspanningsverplichting om de kans op indexering in financiële zin mogelijk te maken.

Verkoop bedrijfsonderdeel met behoud pensioenregeling
X en Y waren tot 2002 in dienst bij Z. N.V. Zij namen deel aan de pensioenregeling van Stichting Pensioenfonds Z (SPZ). De pensioenregeling van SPZ was een eindloonregeling met een pensioenleeftijd van 60 jaar en een voorwaardelijke indexering na beëindiging van de actieve deelname.
In 2002 verkoopt Z het bedrijfsonderdeel waar X en Y bij in dienst waren aan Q, een Amerikaans concern dat de activiteiten van dit onderdeel onderbrengt in een toen opgerichte Nederlandse dochtervennootschap. De arbeidsovereenkomsten van acht bij deze overdracht betrokken medewerkers van Z (waaronder X en Y) zijn van rechtswege overgegaan naar deze dochtervennootschap. X en Y vormden het bestuur van deze dochtervennootschap.
X en Y komen met Q overeen dat zij gaan deelnemen aan een pensioenregeling die materieel volledig vergelijkbaar is met de pensioenregeling van SPZ. Dit legden zij vast in een door hen voor akkoord getekende brief van Q.

De Nederlandse dochter van Q brengt de pensioenen van X en Y onder bij een levensverzekeraar. Het door deze verzekeraar afgegeven pensioenreglement omvat een eindloonregeling met pensioenrichtdatum van 60 jaar en een clausule “Aanpassing van pensioenen”. Deze clausule luidt als volgt: “Per 1 april van elk jaar zullen alle ingegane (tijdelijke) pensioenen en premievrije aanspraken op pensioen van gewezen deelnemers worden verhoogd mede door aanwending van overrente die op grond van de door de werkgever en verzekeraar overeengekomen voorwaarden ter beschikking komt, ter zake van de volgens artikel 4 gesloten verzekeringen.”

X treedt in 2004 op 50-jarige leeftijd uit dienst en Y doet dit op 53-jarige leeftijd in 2007.

In 2005 draagt SPZ, met instemming van X en Y de waarde van de door hen bij SPZ opgebouwde pensioenaanspraken over aan de levensverzekeraar.
Op 1 januari 2008 voegt de verzekeraar een voorwaardelijkheidsverklaring toe; “De werkgever beslist jaarlijks in hoeverre pensioenrechten en pensioenaanspraken worden aangepast. Voor deze voorwaardelijke toeslagverlening heeft de werkgever een bestemmingsreserve of een depot gevormd. De jaarlijkse dotatie aan de bestemmingsreserve wordt door de werkgever bepaald. Aan een depot wordt jaarlijks een deel van de winstdeling bij de verzekeraar toegevoegd, eventueel vermeerderd met de eigen middelen van de werkgever”.

Op 4 juli 2013 schrijft de verzekeraar aan X; “Tot 1 december 2012 probeerde uw ex-werkgever ieder jaar uw pensioen te verhogen. Uw ex-werkgever betaalde de verhogingen van uw pensioen uit geld dat hij daarvoor gereserveerd had. U had niet automatisch recht op jaarlijkse verhoging. Vanaf 1 december 2012 is uw toeslagregeling gewijzigd. Dat heeft gevolgen voor de toekomstige verhogingen van uw pensioen en wat u in de toekomst aan jaarlijkse verhogingen van ons mag verwachten. Vanaf 1 december 2012 wordt uw pensioen niet meer jaarlijks verhoogd. U hebt dan geen recht meer op de oude regeling”. Op 7 augustus 2014 schrijft de Nederlandse dochter van Q aan de inactieven in de regeling; “Tevens is de toeslagbepaling gewijzigd. Deze wijziging betekent dat er geen doelgericht toeslagbeleid meer bestaat. De eventuele toekenning van toeslagen berust evenwel nog steeds op jaarlijkse beslissingen van uw voormalige werkgever, maar u moet er daarbij van uit gaan dat er (waarschijnlijk) geen jaarlijkse toeslag wordt toegekend. Indien er overrente aanwezig is, zal de toeslagregeling in de toekomst hoogstwaarschijnlijk verbeteren. Gezien de lage rentestand is het vanaf 2012 helaas niet mogelijk gebleken toeslagen te financieren. Q heeft tevens besloten geen bijstortingen te doen voor toeslagverlening”. Ter toelichting merkt Q op dat de kosten van de pensioenregeling door de lage marktrente, toename van de levensverwachting en het uitblijven van overrendement onbetaalbaar is geworden ook mede door de financiering van koopsommen in verband met backservice en indexatie/toeslagen. De kosten van de pensioenregeling bedroegen in 2012 bijna 50% van de loonsom van actieve deelnemers en staan niet in verhouding tot de pensioentoezegging van de overige medewerkers. Q geeft in de toelichting aan dit ongewenst te vinden en constateert dat dit (helaas) een andere invulling van de pensioenregeling vergt. De wijziging past volgens Q ook in de maatschappelijke tendens om de pensioenregelingen aan te passen dan wel te versoberen.
X en Y zijn het hier niet mee eens en stappen naar de kantonrechter. Zij vorderen een onvoorwaardelijke jaarlijkse indexering vanaf 1 januari 2013 zolang de pensioenaanspraken, dan wel pensioenuitkeringen bestaan, dan wel een schadevergoeding ter hoogte van een dergelijke onvoorwaardelijke indexering. Volgens X en Y hebben zij namelijk op grond van de gemaakte afspraken en het pensioenreglement aanspraak op levenslange onvoorwaardelijke indexering. In de pensioenregeling was geen eenzijdig wijzigingsbeding overeengekomen en handhaving van de bestaande regeling is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
Kantonrechter wijst vordering af, hoger beroep bij het Hof
De kantonrechter wijst de vorderingen van X en Y af. Het pensioenreglement geeft volgens hem geen onvoorwaardelijk recht op indexering. X en Y tekenen beroep aan bij het Hof Den Bosch.

Het Hof stelt vast dat het pensioenreglement van SPZ een voorwaardelijk recht op indexatie na beëindiging van de actieve deelname kende. Gezien deze omstandigheid mochten X en Y volgens het hof aan de pensioenovereenkomst met Q redelijkerwijs niet de betekenis toekennen dat Q een pensioenregeling in het leven moest roepen die uitging van een onvoorwaardelijke indexering na actief deelnemerschap. Op grond van de hele gang van zaken konden X en Y er naar het oordeel van het hof niet redelijkerwijs vanuit gaan dat hun gesprekspartners van werkgeverszijde beoogden om, op het punt van de aanspraak op indexering van hun pensioenen, een voor de oud werknemers van Z gunstiger regeling te treffen dan de SPZ-regeling. X en Y mochten aan de instemming van Q met de pensioenovereenkomst in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet de betekenis toekennen dat Q in dat geval de perceptie van de oud Z-medewerkers over de pensioenregeling wilde laten prevaleren boven de werkelijke inhoud daarvan. Het hof concludeert dan ook dat de pensioenovereenkomst Q verplichtte om een nieuwe pensioenregeling met een voorwaardelijk recht op indexering na beëindiging van de actieve deelname in het leven te roepen. Het door de verzekeraar afgegeven pensioenreglement voor de regeling van Q bevat volgens het hof een voorwaardelijk recht op indexering. Het pensioenreglement moet ten aanzien van alle belanghebbenden in gelijke zin worden uitgelegd. Er wordt volgens het hof dan ook in dit opzicht in het pensioenreglement niet afgeweken van de pensioenovereenkomsten van X en Y.
Het hof is echter van oordeel dat het voorwaardelijk recht uit hoofde van de pensioenovereenkomst op indexering van hun premievrije aanspraken en hun pensioenen een inspanningsverplichting van Q inhoudt om de kans op indexering in financiële zin mogelijk te maken. De brief van 7 augustus 2014 vermeldt weliswaar dat de eventuele beslissing van toeslagen met ingang van 1 januari 2013 nog steeds berust op een jaarlijkse besluit van Q, maar daaraan is toegevoegd dat er daarbij vanuit moet worden gegaan dat er (waarschijnlijk) geen jaarlijkse toeslag wordt toegekend en dat Q heeft besloten om geen bijstortingen meer te doen voor toeslagverlening.
Dit – ook in de procedure ingenomen – standpunt van Q is volgens het hof in strijd met het aan X en Y toegekende voorwaardelijke recht op indexering en de daaruit voortvloeiende inspanningsverplichting van Q.

Het hof stelt vast dat Q tot en met 2012 invulling gaf aan haar (inspannings)verplichting om indexering mogelijk te maken door jaarlijks de pensioenen te indexeren met een percentage waarmee X en Y hebben ingestemd, althans tegen welk percentage zij nimmer bezwaar hebben gemaakt. Gelet hierop moet het hof beslissen waartoe Q uit hoofde van de pensioenovereenkomst met ingang van 1 januari 2013 in financiële zin gehouden is om indexering van de pensioenen van X en Y door de verzekeraar mogelijk te maken. Het hof heeft na het partijdebat hierover naar zijn oordeel onvoldoende houvast om hierover reeds in dit stadium uitdrukkelijk en zonder voorbehoud te beslissen en wil een meervoudige comparitie van partijen houden. Doel van deze comparitie is zowel om nadere inlichtingen van partijen te verkrijgen als om een minnelijke regeling te beproeven.

Commentaar
Een interessante uitspraak. Om meerdere redenen. Hoe X en Y tot hun standpunt kwamen dat sprake zou zijn van een onvoorwaardelijke toeslag, kunnen wij evenals kantonrechter en hof niet volgen. X en Y kregen bij de overname de toezegging voor een gelijkwaardige regeling. De regeling bij SPZ kende een voorwaardelijke toeslagverlening. Dus waarom zou dat bij de verzekerde regeling ineens onvoorwaardelijk moeten zijn?

Dan de stelling dat door het afgeven van de voorwaardelijkheidsverklaring in 2008 sprake zou zijn van een eenzijdige wijziging. Door de verwijzing in onderdeel 3.2.2 naar het niet aanwezig zijn van een eenzijdig wijzigingsbeding, lijken X en Y zich impliciet op dit standpunt te stellen. Dat is naar onze mening niet het geval. Het in 2008 afgeven van een voorwaardelijkheidsverklaring is het rechtstreekse gevolg van het inwerkingtreden van de Pensioenwet. Hierin was voor het eerst opgenomen dat de wijze waarop toeslagen verleend werden expliciet aan de deelnemers gecommuniceerd moest worden. Het afgeven van deze verklaring was dan ook geen wijziging, maar het vastleggen van de bestaande praktijk. Wat dat betreft deed het precies waarvoor het bedoeld was. Aan de deelnemers vertellen dat sprake was van een voorwaardelijke toeslagverlening, waarbij de werkgever jaarlijks beslist of en in hoeverre er een toeslag wordt verleend. Het is dan ook opvallend dat het hof hier een inspanningsverplichting in ziet.
Bron van dit misverstand zijn wellicht de brieven uit 2013 en 2014. De werkgever maakte het zich onnodig moeilijk door met zo veel woorden te vermelden dat sprake was van een wijziging van de toeslagregeling. Dat was strikt genomen natuurlijk niet zo. Er was sprake van een wijziging van de voeding van het depot waaruit toeslagen gefinancierd worden en niet van een wijziging van de toeslagregeling als zodanig. Die was en bleef voorwaardelijk en afhankelijk van een besluit van de werkgever én voldoende middelen in het depot.

De werkgever wilde zijn handen vrijhouden en gaf aan geen bijstortingen meer te doen voor toeslagverlening. Gezien de toezegging en de daarop gebaseerde voorwaardelijkheidsverklaring, had hij hier alle recht toe. De bron van financieren van toekomstige toeslagen bleef hierdoor beperkt tot de overrente. En gezien de marktrente lijkt het erop dat het nog wel even zo blijft dat er de facto geen sprake is van toeslagen. Hoever moet de werkgever zich inspannen om de kans op indexering in financiële zin mogelijk te maken? Moet hij, voor zover de continuïteit van de onderneming daardoor niet in gevaar komt, toch bijstorten in het depot? Dat lijkt ons heel ver gaan en in strijd met de contractsvrijheid waarop de voorwaardelijke toeslagverlening is gebaseerd. Of moet hij, voor zover er ooit weer sprake is van positieve overrente, altijd een besluit nemen om deze te gebruiken voor het verlenen van toeslagen, maar hoeft hij niet verplicht bij te storten? Daar lijkt wat voor te zeggen. Maar ook dit staat op gespannen voet met de toezegging die het verlenen van toeslagen afhankelijk maakt van een beslissing van de werkgever. Ook dit is een beding dat niet in strijd is met de wet of de goede zeden en dus op basis van de contractvrijheid is toegestaan. Wij kijken dan ook in spanning uit naar het uiteindelijke oordeel van het hof.

Bron: Aegon Adfis

Deel dit artikel

+